Angst

Stilaan nam het alles over.
Stapje voor stapje, centimeter per centimeter.

Eerst bevroor ik, dan sloeg ik op de vlucht.
Vechten was slechts een optie als vluchten niet meer lukte, want ik had geen idee waartegen ik me moest wapenen.
Ik zag geen gevaar, maar toch voelde het aanwezig.
Het lijkt alsof ik bedreigd werd, alsof er iets ergens op de loer lag, klaar om me te vernietigen.

Wat begon als een sluimerend gevoel van ongemak groeide, zonder dat ik het merkte, uit tot iets wat mij in zijn greep hield.

Het is al maanden dat ik rondloop met dit fysieke gevoel, alvorens ik het niet langer kan negeren.
Alsof ik een rugzak droeg waar elke dag enkele kiezels in vielen tot mijn knieën het begonnen te begeven.

Pas als ik zijn naam uitsprak, kreeg het vorm, werd het zichtbaar:
Angst

Ik was bang.

Ik ben eigenlijk nog steeds bang.

Erkennen dat ik bang was, maakt het draaglijker, maar ik heb nog steeds geen idee waarvoor ik nu precies bang ben.

Jaren geleden, toen ik werkelijk voor mijn leven te vrezen had, was ik vreselijk bang.

Ik herinner me dat ik het bang zijn zo beu was geworden dat ik er tegen ten strijde ben getrokken.

Niet dat ik de kracht had om wat dan ook te lijf te gaan, ik was het zat
Het was genoeg om de weinige fysieke energie die ik toen had nog eens te verspelen aan bang zijn.

Ik weet nog dat ik in op een doordeweekse februaridag het Meerdaalwoud in gelopen ben met als intentie mijn angst te confronteren.

Het moet er vreemd uitgezien hebben, een duidelijk verzwakte man die als een ongewapende krijger een onzichtbare vijand aan wou vallen.

Alsof ik een beer uit zijn hol wou lokken riep ik de angst toe:
”Waar ben je?! Laat je zien, lafaard!”

Ik hoopte dat de angst zich zou tonen en dat ik het, als de ridders in grootse verhalen de angst, in mootjes kon hakken en de wereld verlossen van een groot kwaad.

In mijn eentje stond ik daar tussen eeuwenoude beuken in de regen te schreeuwen om bevrijding.

Toen ik mijn ziel eruit had geroepen en al mijn woede uit mijn lijf verdwenen was, mekte ik dat er geen antwoord kwam.

Ik hoorde enkel het tikken van de regendruppels op de braamstruiken en bosgrond rond me.

In de stilte van dit bos lijkt het alsof angst toen naar me toe is gekomen.

Het toonde zich toen, tussen de bomen.

Zoals de dood stond het naar me te kijken, wachtend tot ik begreep dat het steeds een deel van mijn bestaan zal zijn.

Stilaan zag ik geen vijand meer.

Daar in dat bos ontmoette ik mijn angst als een bondgenoot, die me wil behoeden van pijn.
Het wil me niet gijzelen, het wil me waarschuwen wanneer dat nodig is.

Daarvoor moet ik wel voldoende naar luisteren, want anders wordt het grof geschut weer boven gehaald.

En dat is wat ik nu voel.

Te lang heb ik mijn angst genegeerd.
Omdat ik soms denk dat ik niet bang mag zijn, omdat ik denk dat ik altijd sterk en vol zelfvertrouwen moet zijn, onbevreesd.

Het is een illusie zo mijn leven vorm te willen geven.
Dat heb ik vele jaren geleden al eens geleerd.
Zonder de signaal-functie van angst zou ik hier misschien al niet meer zijn.

Omdat ik mezelf toch nog steeds als een moedig man wil zien, herinner ik me aan het feit dat moed niet de afwezigheid is van angst, maar actie ondanks de soms verlammende aanwezigheid ervan.

Tijd om opnieuw, met mijn angstgevoelens als raadgevers, tot actie over te gaan.